|
Klein Vaarbewijs onder de loep (3)
Eerder schreven wij al over het onderzoek naar het Klein Vaarbewijs en het standpunt dat de minister naar aanleiding daarvan heeft ingenomen. In het kort komt het erop neer dat er geen grote veranderingen komen in het Nederlandse systeem van Klein Vaarbewijzen. Er komt geen uitbreiding van de vaarbewijsplicht en ook geen praktijkexamen. Wel moet de examinering en opleiding zich meer op de praktijk gaan richten. Jarenlang maakten wij voor de ANWB de Examentraining Klein Vaarbewijs. Hoewel wij deze trainingen inmiddels bijna vijf jaar geleden verkocht hebben, leek het ons interessant om eens te kijken wat ‘meer praktijkgericht examineren’ in de praktijk zou kunnen betekenen. Ter illustratie pakten wij enkele vragen uit de officiële oefenexamens van examinator CBR. Voorbeeld Klein Vaarbewijs 1: Originele vraag:
Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft gedronken. Voor wie geldt dit verbod?
a. ALLEEN voor de schipper.
b. Voor de schipper EN voor degene die het schip stuurt.
c. ALLEEN voor degene die het schip stuurt. Het juiste antwoord is B: zowel de schipper als degene die stuurt mag niet te veel gedronken hebben. Een meer praktijk gerichte variant zou zo kunnen luiden:
U vaart met uw eigen motorboot. U bent de schipper, maar een vriend stuurt het schip. Tijdens een controle blijkt dat uw vriend alcohol heeft gedronken boven de toegestane limiet. Wat betekent dit voor de situatie aan boord?
a. Alleen uw vriend is in overtreding, omdat hij stuurt
b. Alleen u bent in overtreding, omdat u schipper bent
c. Zowel u als uw vriend zijn in overtreding
d. Niemand is in overtreding Juiste antwoord is C. De oorspronkelijke vraag test vooral kennis van de regels, terwijl de herschreven versie vraagt om inzicht en toepassing. Tegelijk maakt de vraag duidelijke welke verantwoordelijkheid een schipper aan boord heeft. Voorbeeld Klein Vaarbewijs 2 De originele vraag luidt:
Schip I ligt ten anker. Schip II ligt gemeerd. Schip III is vast gevaren. Welk van de schepen is volgens het Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW) 'varend'?
a. Alleen schip III.
b. Geen van genoemde schepen.
c. Schip I en schip III. Juiste antwoord is: B (Artikel 2 SRW). Het kennen van definities is belangrijk om vaarregels juist te kunnen toepassen. Tegelijk zijn dit typisch vragen die al snel theoretisch aanvoelen. Een praktijkgerichte variant kan er als volgt uit zien:
U luistert op de Westerschelde naar het marifoonverkeer. Een schip meldt:
“Containerschip Aurora ligt ten anker nabij boei W7.” Een tweede schip meldt:
“Motorjacht Delta ligt gemeerd aan de wachtsteiger.” Een derde schip meldt:
“Tanker Orion zit aan de grond buiten de vaargeul.” Welke van deze schepen wordt volgens het SRW beschouwd als ‘varend’?
a. Alleen de tanker Orion
b. De Aurora en de Orion
c. Alleen het motorjacht Delta
d. Geen van deze schepen Juiste antwoord is D. Inhoudelijk vrijwel dezelfde vraag, maar nu geplaatst in een situatie die zich daadwerkelijk op de Westerschelde zou kunnen voordoen. Deze voorbeelden gaan over kennis van de regels én het toepassen van die kennis. Praktijkgerichter examineren betekent beslist niet dat er minder kennis gevraagd wordt. Het betekent vooral dat die kennis nadrukkelijker wordt gekoppeld aan situaties die schippers ook echt op het water kunnen tegenkomen. De vragenbank van het CBR bevat uiteraard veel meer vragen en is begrijpelijk niet openbaar. Deze twee voorbeelden uit de officiële oefenexamens zijn naar onze mening nog vrij theoretisch van opzet. Dat sluit aan bij de conclusies uit het onderzoek. Tegelijk moet daarbij worden aangetekend dat de onderzoekers geen inzage hadden in de volledige vragenbank,maar hun conclusies baseerden op gesprekken met betrokkenen. Op basis van de oefenexamens alleen is dus niet vast te stellen hoe praktijkgericht het examen eigenlijk al is. Deed u onlangs examen voor het Klein Vaarbewijs? Dan horen wij graag hoe u dat examen ervaren heeft. |